Begrijpend lezen onder de loep

Door: Mariëlle van Rijn

In mijn informatiebubbel kom ik met enige regelmaat alarmerende berichten tegen over afnemende leesvaardigheid van jongeren, en het effect daarvan op hun positie in de samenleving. Voor mij als educatief auteur leidde dit tot de intrigerende vraag: hoe ontwikkel ik leermiddelen, gebruik makend van alle huidige inzichten, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek?

Als educatief auteur ontwikkelde ik, samen met Karin Winters, in het afgelopen jaar projecten voor kinderen op de basisschool: Spelen met boeken.

Ons doel: kinderen plezier laten beleven aan lezen. Het middel: korte, inspirerende projecten, waarin het boek, lezen en digitale vaardigheden centraal staan. Al spelend maken leerlingen, geïnspireerd door een boek, korte verhaaltjes, scenario’s en een Stopmotion filmpje (we filmen een boek) of bereiden ze met visual notes een boekbespreking voor (we presenteren een boek).

Als ontwikkelaar kwam ik in contact met Pierre Pas, die scholen begeleidt bij de invoering van een nieuwe aanpak die nog volop in ontwikkeling is: Snap je taal. We ontdekten mooie verbindingen in onze visies op onderwijs, lezen en leren en zo kwam al snel de vraag: kun jij voor ons (BCO Onderwijsadvies en -ondersteuning) de Tekstsnappers (strategie-schema’s) ontwikkelen die bij ‘Snap je taal’ worden ingezet? Daar ben ik met veel enthousiasme mee begonnen en dat smaakt naar meer.
Maar dat meer… Is het wel zo dat de nieuwe aanpak van ‘Snap je Taal’ echt aansluit bij de huidige inzichten? Wat zijn die inzichten eigenlijk?

De laatste maanden ben ik vooral bezig geweest met lezen, lezen en nog eens lezen. Wat is er veel onderzocht op het gebied van lezen en leesvaardigheid! Opvallend is dat veel wetenschappelijk onderzoek wat gedateerd lijkt, maar toch nog aansluit bij de huidige literatuur. De vraag dringt zich dan wel op: waarom heeft al dit onderzoek niet geleid tot effectiever leesonderwijs? Of, liever gezegd: waarom scoren Nederlandse jongeren (desondanks?) steeds slechter op leesvaardigheid?

Eerst doe ik een poging tot duiding van het begrip leesvaardigheid.
Het PISA onderzoek gebruikt de volgende definitie:

“Leesvaardigheid is het begrijpen van, gebruiken van, evalueren van, reflecteren op en omgaan met teksten om je doelen te bereiken, je kennis en potentieel te verruimen en deel te nemen aan de maatschappij”.

Een paar cijfers op een rij.

  • Het PISA onderzoek geeft aan dat:
  • Nederlandse leerlingen de laagste score op leesvaardigheid hebben in 15 jaar tijd;
  • meisjes significant hoger scoren dan jongens;
  • 1 op 4 leerlingen het risico loopt op laaggeletterdheid;
  • leerlingen met laag-, middelbaar en hoogopgeleide ouders lager scoren op leesvaardigheid dan in 15 andere EU-landen;
  • hoe hoger het opleidingsniveau is van de ouders, des te hoger de gemiddelde PISA-score voor leesvaardigheid;
  • wanneer de leesplezierscores op een ranglijst geplaatst zouden worden, Nederland zelfs helemaal onderaan staat in Europa (zowel in 2009 als in 2018).

Hier word je niet blij van. Het PISA-onderzoek bevestigt dat het onderwijs er niet in slaagt om de dalende curve om te buigen. Daarnaast heeft het onderwijs er een hele grote concurrent bij gekregen: het beeldscherm. Het woord zegt het eigenlijk al: op het beeldscherm (vooral op de telefoon) is het lezen van lange teksten een crime, dus worden we getrakteerd op beelden en korte, eenvoudige teksten. Als kinderen nu eens elke dag 1 uur beeldscherm-lezen zouden inruilen voor een ‘moeilijke’ tekst of een uitdagend boek, hoe zouden de PISA-uitslagen dan zijn?

Terug naar de vraag hoe ik kan bijdragen door een effectief leermiddel te ontwikkelen. Ik merk dat ik het erg lastig vind om een goede selectie te maken van alle gegevens die uit onderzoeken komen. Maak ik niet een selectie die in mijn straatje past? Hoe voorkom ik een tunnelvisie? Hoe overstijg ik mijn eigen informatiebubbel?
In ieder geval toets ik mijn bevindingen door mijn ideeën in deze blog aan enkele kritische lezers voor te leggen. De eerste feedback is al verwerkt: Bartha Huijberts, die mijn blog heeft geredigeerd en mij heeft geholpen de samenhang beter te begrijpen, heeft mij aangespoord om andere bronnen te zoeken.

Mijn inzet is hoog. Ik wil alleen iets ontwikkelen waar alle leerlingen en leraren profijt van hebben, iets met een duurzame waarde. In deze blog geef ik een korte samenvatting van mijn bevindingen, en waar die toe hebben geleid.

In Nederland hebben we begrijpend lezen als vak. Wat is de definitie van begrijpend lezen?

  • Begrijpend lezen is het vermogen om een tekst te begrijpen. Het is een interactief proces dat bestaat uit verschillende deelprocessen, te weten:
  • het vlot technisch kunnen lezen van de tekst;
  • het kunnen toepassen van leesstrategieën;
  • het beschikken over een goede woordenschat (Stahl en McKenna, 2006)

Er zijn vier voorwaarden voor goed tekstbegrip:

  • kennis hebben van taal;
  • kennis hebben van de wereld;
  • leesstrategieën kunnen toepassen;
  • gemotiveerd zijn om de tekst te lezen.
    (Aarnoutse, Verhoeven, Van het Zandt & Biemond, 2003)

Helaas is er nog steeds geen uitgewerkte theorie over begrijpend lezen (Cor Aarnoutse 2018) en is er geen duidelijkheid over welke processen zich precies in het brein afspelen tijdens het lezen.

Wat gebeurt er in de hersenen tijdens het lezen?

Het meest recent gebruikte model is het integratiemodel van Kintsch (2013). Gelukkig heeft Reuzel (2016) dit model gevisualiseerd zodat ik het ook kan begrijpen :). Dit model geeft een overzicht van verschillende mentale activiteiten die lezers moeten uitvoeren om een tekst te kunnen begrijpen.

De Microstructuur van een tekst is het niveau van woorden en zinnen; de macrostructuur van een tekst betreft de verbanden in de gehele tekst, zichtbaar in o.a. alinea’s en tekstopbouw. De macro- en de microstructuur samen vormen het ‘tekstbase model’ van de tekst. Om tekstverbanden te zien, gebruikt de lezer relevante voorkennis.
Onder de streep staat het ‘situatiemodel’. De lezer snapt de tekst pas echt als hij/zij die tekst kan koppelen aan een situatie uit zijn eigen persoonlijke ervaringen, eigen kennis of kennis van de wereld. De lezer is dan in staat om een eigen betekenis te geven aan de tekst.

Onderzoekers zijn het als het gaat om een aanpak van begrijpend lezen niet met elkaar eens. Er zijn twee stromingen in de onderzoekswereld die, kort samengevat, de volgende overtuigingen aanhangen:

1. Om een tekst te begrijpen is relevante inhoudelijke kennis doorslaggevend (Hirsch, 2006; McKeown, Beck, & Blake, 2009).

2. Om een tekst te begrijpen is kennis van leesstrategieën en wanneer je ze moet inzetten essentieel (Duke, & Pearson, 2002; Pressley, 2000;Presley et al, 1992).

Hoe zit het in Nederland? Op welk van deze overtuigingen worden aanpakken gebaseerd?

Cor A. J. Aarnoutse heeft een review-studie gedaan, Onderwijs in begrijpend lezen (2017), waarin hij naast elkaar zet welke aanpakken van begrijpend lezen je in het onderwijs in Nederland vindt. Hij onderscheidt een vijftal methodes om begrijpend lezen te bevorderen:

  1. Het gesprek voeren over de betekenis van een tekst. Dit helpt leerlingen de betekenis te ontdekken van verschillende soorten teksten. Vrij of zelfstandig lezen (stillezen) van leerlingen in en buiten de school. Dit heeft over het algemeen GEEN positief effect op de prestaties bij begrijpend lezen
  2. Het begeleid stil lezen waarbij de teksten worden uitgekozen. Dit heeft wél effect op de prestaties.
  3. Het stellen van vragen over een tekst. Door de (vaak) grote hoeveelheid aan inhoudelijke vragen, is er weinig tijd om leerlingen te leren hoe ze de technische lees- problemen waar ze tegenaan lopen kunnen oplossen.
  4. Het aanleren van een aantal leesstrategieën. Leerlingen worden zich ervan bewust hoe ze bepaalde zinnen, alinea’s, of verbanden ertussen kunnen begrijpen en verwerken. Leerlingen leren vooral hoe ze de teksten het beste kunnen aanpakken en hoe ze problemen waar ze tegenaan lopen kunnen oplossen.
  5. Vakgericht leesonderwijs: begrijpend lezen wordt gekoppeld aan bijvoorbeeld het vak wereldoriëntatie. Het begrijpend lezen wordt in een betekenisvolle context geplaatst. Deze manier van begrijpend lezen heeft een positief effect op motivatie en leesbegrip bij leerlingen. De valkuil is dat deze integratie moeilijker is in te passen in het onderwijs.

Houtveen (2018) beschrijft de risico’s van een grote nadruk op leesstrategieën.

Volgens Houtveen zijn dat de volgende:
1. De focus op de strategie leidt leerlingen af van de inhoud van de tekst en de woordenschat.
2. De leerling heeft de strategieën na enige tijd niet meer nodig, maar blijft deze toch oefenen. Het plezier in het lezen gaat dan al snel verloren.
3. De leraar wordt een ‘strategie-machine’. Het heeft iets gekunstelds, waar blijft zijn rol als inspirator voor de leerlingen?
4. De tijd zit vooral in het toepassen van de strategie en minder in het lezen van de tekst.
5. Het wordt een doel op zich…

Op het Drongo talenfestival 2020 waar Thoni Houtveen te gast was, vertelde zij dat er tijdens de lessen begrijpend lezen (duur: 1 uur) in het basisonderwijs gemiddeld slechts drie minuten daadwerkelijk wordt gelezen; de rest van de tijd wordt besteed aan het beantwoorden van de vragen (ik heb het onderzoek hierover niet kunnen vinden). Ook gaf zij aan dat de meeste lesmethodes in Nederland inzetten op strategisch onderwijs waarbij de leerlingen vooral antwoord geven op vragen uit de tekst. Begrijpelijk, want het ontwikkelen hiervan is eenvoudig: je selecteert een tekst, je bedenkt er vragen bij, kiest een strategie, en laat de lezer op zoek gaan naar de antwoorden. Dergelijke werkboekjes kun je gemakkelijk in grote hoeveelheden produceren, en deze vormen dus ook nog eens een mooi verdienmodel.

In een ander, minder recent onderzoek van Elsacker (2002) zien we de bevindingen van Houtveen ook terug. De meeste tijd in de les, blijkt uit dat onderzoek, gaat naar luisteren en opdrachten maken.

Dat kan niet de bedoeling zijn! Wat is dan wel een effectief programma? Helaas is er geen eenduidig antwoord te vinden. Wel een reeks van aanbevelingen, zij het met de nodige voorzichtigheid, omdat nader onderzoek nog moet volgen.

Aanbevelingen voor een effectief leesprogramma

Thoni Houtveen heeft de kenmerken van een effectief leesprogramma op een rij gezet:

1. Lees met een doel
2. Werk aan kennisopbouw
3. Bied verschillende typen teksten aan
4. Maak van leerlingen strategische lezers
5. Betrek leerlingen in discussies
6. Geef uitleg over tekststructuren
7. Bouw aan woordenschat
8. Integreer lezen en schrijven
9. Zorg voor een motiverende leesomgeving
10. Differentieer

Cor A. J. Aarnoutse (2018) doet ook een aantal aanbevelingen:

  • In een les begrijpend lezen moet er veel interactie zijn tussen leerkracht en leerling, leerlingen onderling en leerling en tekst.
  • Beperk bij zwakke en gemiddelde lezers de tijd dat ze schriftelijk bezig zijn.
  • Besteed aandacht aan de inhoud van de tekst.
  • Sluit met de tekst aan bij de interesse van een leerling, zorg voor uitdagende teksten en wissel af met zakelijk en verhalend.
  • Gebruik de 7 evidence strategieën (zie afbeelding 1) maar beperk het aantal per les.
  • Gebruik de strategieën in combinatie met bijv. het GRRIM-model of samenwerkend leren.
  • Werk aan leerkrachtvaardigheden zoals modeling, coöperatief samenwerken en het leren kiezen van geschikte teksten.

Kees Vernooij geeft tips in ResearchED 2019

Voorwaarden:

  • De leerling moet 90% van de woorden kennen om een tekst te kunnen begrijpen
  • De leerling moet goed technisch kunnen lezen
  • De inhoud van de tekst moet voldoende aanspreken

Randvoorwaarden voor een goede les:

  • Zet de tekst centraal en geef zwakke lezers aanwijzingen, vertrek vanuit een lesdoel.
  • Gebruik pittige en authentieke teksten die aansluiten bij de achtergrondkennis van de leerlingen.
  • Besteed aandacht aan de tekststructuur en stel tekstgerichte vragen.
  • Besteed aandacht aan woordenschat en achtergrondkennis.
  • Lees de test herhaald.
  • Gebruik Peertutoring en GRRIM-model. Geef taak- en procesgerichte feedback.
  • Praat en discussieer over de tekst, leer leerlingen argumenteren.
  • Combineer schrijven aan begrijpend lezen
  • Besteed aandacht aan de leesmotivatie.

Gelukkig zien we bij de drie onderzoekers een paar duidelijke overeenkomsten in aandachtspunten.
Het laatste aandachtspunt van Kees Vernooij, de leesmotivatie, wat kan ik daar nog over vinden? Roel van Steensel (e.a.) heeft een meta-analyse gedaan van internationale onderzoeksliteratuur (2017) die hier mooi op aansluit.

Zijn conclusies:

  1. Investeren in leesmotivatie heeft effect op zowel leesmotivatie als leesvaardigheid. (Bij zwakke lezers is het effect op motivatie nog groter; niet op leesvaardigheid.)
  2. Effecten zijn alleen bij bepaalde programma’s groot, namelijk programma’s die uitgaan van:
  • focus op het bevorderen van positieve zelfevaluaties, monitoring van de ontwikkeling van leerlingen, keuzes maken van teksten/boeken aan de hand van toetsresultaten;
  • het aanspreken van leerlingen op redenen om te lezen;
  • een centrale rol voor de interesses van leerlingen;
  • autonomie van leerlingen (binnen kaders eigen keuzes laten maken voor teksten/boeken);
  • sociale motivatie van leerlingen door ze te laten samenwerken rond leestaken en gesprekken te laten voeren over teksten/boeken;
  • beheersingsdoelen (belangrijk: in gesprek haalbare doelen stellen).

3. N.B Werken met beloningen werkt niet bevorderlijk voor de leesmotivatie.
4. Programma’s met een thuis-component zijn effectief in het stimuleren van de leesmotivatie. Het effect van deze programma’s op begrijpend lezen is kleiner dan programma’s zonder thuis-component!
5. De programma’s hadden groter effect als ze door onderzoekers werden uitgevoerd, dus is er aandacht nodig voor een goede implementatie bij deze programma’s.

Om recht te doen aan al deze ingrediënten is een thematische aanpak bijna een vereiste. Hier wordt meteen het addertje onder het gras zichtbaar. De gemiddelde basisschool en middelbare school is georganiseerd in aparte vakken en klassen. Het implementeren van een thematische aanpak kan alleen als het gehele team of verschillende vakgroepen opschuiven naar thematisch werken, vakoverstijgend en het liefst ook klasoverstijgend.

Hoe verpak je dit allemaal in je onderwijs zonder overzicht te verliezen?

Ik kom veel op scholen en merk dat de meeste leerkrachten heel graag thematisch werken. Waar het aan ontbreekt, is tijd en energie om dit te ontwikkelen en te implementeren. Nu kom ik terug op ‘Snap je Taal’, de aanpak waar ik voor ontwikkel. Wat is de basis van deze aanpak?
Deze aanpak is een combinatie van tekstgericht, strategisch en vakgericht leesonderwijs.

Deze aanpak werkt met 6 componenten die elke week aan bod komen:

  1. Gesprekken (spreken en luisteren): aandacht voor gesprekken die leerlingen onderling hebben over het onderwerp, nieuw aan te leren kennis, strategieën en vaardigheden.
  2. Tekst Centraal: een pittige hoofdtekst is het vertrekpunt. Bij de basisinstructie wordt gewerkt met het GRRIM-model en met de principes van Close Reading.
  3. Leestechniek: in lijn met correct, vlot naar vloeiend met expressie. Convergente differentiatie is een belangrijk uitgangspunt.
  4. Woordenschat: nieuwe woorden worden aangeboden in de betekenisvolle context van de hoofdtekst. De woorden worden verankerd door gebruik te maken van de Viertakt van Verhallen.
  5. Spelling en grammatica: de hoofdtekst biedt voorbeelden in de context van de nieuw aan te leren spellingcategorieën en grammatica.
  6. Schrijven: in schrijfopdrachten worden leerlingen uitgenodigd om het nieuw geleerde toe te passen en te presenteren.

Hoe ga ik alle aanbevelingen integreren in de ontwikkeling van de ‘Taalsnappers’ voor ‘Snap je taal’? Onderstaande is wat ik me heb voorgenomen. Graag ontvang ik feedback als ik iets belangrijks heb gemist, of wanneer mijn voorstellen bij de praktische uitvoering tot problemen (kunnen) leiden.

Werk eerst aan kennisopbouw

Bij een thematische aanpak is het handig om een breed doel te kiezen. Ik ga dat bijvoorbeeld doen met met behulp van https://www.canonvannederland.nl/.
Ik neem in deze blog het voorbeeld van Michiel de Ruijter, thema grote zeehelden.
Het voordeel is dat je meteen een goede tekst hebt en aanbevelingen voor boeken, films en andere mediabronnen zoals Klokhuis.

Hoe meer een leerling weet over het onderwerp, hoe beter hij de tekst begrijpt, ook al is hij technisch niet zo sterk (Bootsma 2018).
Dit betekent voor de ontwikkeling van de ‘Taalsnapper’ informatiebronnen verzamelen rondom het thema Michiel de Ruijter en hiermee de kennis verbreden en verdiepen. Dit ga ik doen door:
leerlingen langdurig en frequent te laten lezen (niet 1 les, maar meerdere lessen);
het leesdoel te laten bepalen door het stellen van vragen over het onderwerp: waar zijn de leerlingen nieuwsgierig naar?, wat willen ze weten?, welke vragen komen bij ze op? (groepjes maken van leerlingen met dezelfde vragen);
het koppelen van de opgedane kennis met iets maken (bijvoorbeeld bij beeldende vorming) om samenhang tussen de bronnen te bevorderen: zeilschepen, schatkisten, Michiel de Ruyter, etc. op basis van de bronnen: hoe ziet een zeilschip eruit? (zet deze schepen op een vertel-speeltafel, leg een blauwe doek op tafel en laat de tafel groeien…met de zelfgemaakt materialen, leer zo de leerlingen de samenhang tussen de verschillende bronnen te zien);
buitenactiviteiten te organiseren (musea!).

Bied verschillende typen teksten aan (motiverende teksten)

Het is belangrijk dat leerlingen leren omgaan met een groot aantal verschillende tekstsoorten. Hiermee bedoel ik zowel het genre (informatieve, instructieve, verhalende teksten) als het medium (analoog en digitaal). Ook heb je nog mengvormen bij teksten, bijvoorbeeld bij handleidingen, biografische teksten etc.
Voor de ‘Taalsnapper’ betekent dit:
bij informatieve teksten (informatieboekjes over zeerovers, zeilschepen andere zeehelden) instructie geven over de tekststructuur (tekstopbouw, alineaopbouw, signaal woorden);
teksten uit meerdere genres gebruiken, zoals een roman over Michiel de Ruijter of stripverhalen;
filmpjes gebruiken van o.a. Youtube, Klokhuis;
de bibliotheek betrekken in de keuze van de mediabronnen.

Er zijn twee organisaties die op abonnement-basis teksten aanleveren:
1. Tekstenlab
2. Klassenteksten
RALFI teksten is gratis.

Maak van leerlingen strategische lezers

Leerlingen moeten leren hoe ze een tekst beter kunnen begrijpen door het gebruiken van verschillende leesstrategieën. Belangrijk is om NIET te veel tijd te besteden aan de strategieën. Korte sessies zijn net zo effectief als lange sessies, en niet dagelijks, maar eerder wekelijks. Voor leerlingen is het belangrijk om te weten waarom ze een bepaalde strategie kunnen toepassen. Dit kan door modeling, uitleg en begeleiding. Het is belangrijk om goede lezers pittige teksten aan te bieden. Als een leerling een strategie eenmaal beheerst: niet blijven oefenen, want dit gaat ten koste van de leestijd en leesplezier. Strategie is een middel en geen doel!

Bij ‘Snap je taal’ ontwikkelen leerlingen leesstrategieën door het gebruik van de ‘Tekstsnappers’.

We beschrijven het leesgedrag van:

  • Voorkennis activeren en verbinden
  • Vragen stellen voor, tijdens en na het lezen
  • Voorspellen
  • Hoofd-en bijzaken onderscheiden
  • Visualiseren
  • Structuur aanbrengen
  • Samenvatten en samenvoegen
  • Vastlopen

Bij elk leesgedrag is een aantal schema’s ontwikkeld, als hulpmiddel voor leerlingen waarmee ze een tekst beter kunnen begrijpen.

Note to self: Wat belangrijk is voor de doorontwikkeling van de ‘Tekstsnappers’: de leerlingen moeten leren om zelf een keuze te maken voor een strategie.

Interessant? Bestel hier een gratis proefpakket.

Betrek leerlingen in discussies

In de opzet van de ‘Taalsnapper’ wordt de discussie een onderdeel van het programma door:
structuur aan te bieden in een discussie;
leerlingen op eenzelfde vraag antwoord te laten geven en hierbij verschillende teksten aan te bieden;
te discussiëren over de gevonden antwoorden in kleinere groepjes en in de grote groep;
gebruik van open, authentieke vragen.
Bijvoorbeeld: hoe lukt het Michiel de Ruyter om al die veldslagen te winnen?, was Michiel de Ruyter wel echt een held?
Heb je zelf nog andere ideeën over hoe je discussies kunt voeren in je klas? Kijk hiervoor ook op kinderkennisbank en Leraar 24.

Bouw aan woordenschat

Wat ik wil meenemen is dat de nieuw te leren woorden actief worden verwerkt door leerlingen. Dit kan op verschillende manieren:
leerlingen laten praten, discussiëren over de kernwoorden en de tekst;
woorden laten uitbeelden (bijv. op een vertel-speeltafel);
visuele schema’s laten maken van de tekst bijv. door het gebruik van sketchnoting (we presenteren een boek) .

Integreer lezen en schrijven

Alle gevonden informatie presenteren is een logische manier om meteen het schrijven te integreren. Dat kan op verschillende manieren. De vragen en de gevonden antwoorden over Michiel de Ruyter kunnen worden verwerkt door:
leerlingen op basis van een zelf gemaakt scenario te laten vloggen over hoe ze te werk zijn gegegaan en wat de antwoorden zijn die ze gevonden hebben;
gebruik te maken van een wandfries: een lange grote wand waar je alle schrijfsels en producten verzamelt;
leerlingen een klein stukje te laten schrijven over het onderwerp in de digitale schoolkrant of op de website;
gebruik te maken van een klassenblog.

Tenslotte

Deze blog is een samenvatting van mijn eigen onderzoek naar interventies die in wetenschappelijk onderzoek worden aanbevolen. De grote uitdagingen liggen in eerste instantie in het concretiseren van deze aanbevelingen tot een praktisch uitvoerbare aanpak. De tweede hobbel komt bij het implementeren hiervan.

Met mijn bevindingen ga ik aan de slag om :
Taalsnappers te ontwikkelen voor de aanpak ‘Snap je taal’.
Nieuwe uitdagende projecten te ontwikkelen voor de methodiek ‘Spelen met boeken’, waarin naast het lezen en presenteren ook nog digitale vaardigheden worden ingezet.
Heb jij al zo’n aanpak op de plank liggen of heb jij nog goede tips? Stuur mij een mail. Ik zou graag met je willen sparren hierover.
marielle@learningrocks.nl

Download het artikel (met de bronnen)

Begrijpend Lezen Onder De Loep Nov. 2020